Keywords
Urogenital endometriosis · Ureterolysis ·
Ureteral reimplantation · Hematuria
Introductie
Endometriose is een chronische, goedaardige aandoe-
ning die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van
endometriumachtig weefsel buiten de baarmoeder.
De exacte etiologie is onbekend. Symptomen worden
toegeschreven aan de chronische ontstekingsreac-
tie en littekenvorming die veroorzaakt wordt door de
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
aanwezigheid van dit endometriumachtig weefsel bui-
ten de baarmoeder. De prevalentie wordt geschat op
5–10 %, al wordt aangenomen dat dit cijfer een onder-
schatting is omdat er asymptomatische gevallen zijn
[1]. Veelvoorkomende klachten van endometriose zijn
dysmenorroe, dyspareunie, chronische bekkenpijn en
subfertiliteit. Daarnaast kunnen gastro-intestinale en
urologische symptomen optreden. We onderscheiden
3 fenotypen: oppervlakkige endometriose, ovarium-
endometriomen en diepe endometriose (DE) [ 2].
Endometriose van de blaas
Urogenitale endometriose (UGE) is een subtype van
DE waarbij de blaas en/of ureters zijn aangedaan, en
die gekenmerkt wordt door een infiltratie van meer
dan 5 mm in het peritoneum [ 1]. Naast de blaas en
ureters zijn vaak ook andere structuren betrokken,
zoals de sacro-uteriene ligamenten, het rectosigmoïd
en de vaginatop [ 3]. Blaasendometriose manifesteert
zich meestal ter hoogte van de blaasachterwand en de
koepel, en kan zowel in de m. detrusor als daarbui-
ten voorkomen. Veelvoorkomende symptomen van
blaasendometriose zijn dysurie, urgency en frequency .
Patiënten kunnen ook klachten hebben van recidive-
rende urineweginfecties, hematurie en, minder vaak,
urine-incontinentie [ 4].
De behandeling van blaasendometriose is meestal
operatief. Hierbij worden de serosale laesies en de en-
dometriose nodule(s) volledig gereseceerd. Mogelijke
complicaties van de chirurgische ingreep zijn: post-
operatieve bloedingen, blaaslekkage en urgency . Zeer
zelden, in het geval van gecombineerde operaties, is
er een kleine kans op het ontstaan van vesicorectale
of -vaginale fisteling [ 5].
Endometriose van de ureter
Endometriose van de ureter wordt gekenmerkt door
de aanwezigheid van endometriumweefsel en litte-
kenweefsel op de ureter. Er zijn 2 vormen van ure-
terbetrokkenheid te onderscheiden: intrinsieke en ex-
trinsieke endometriose. Intrinsieke ureterendometri-
ose, die voorkomt in 20 % van de gevallen, wordt ge-
kenmerkt door infiltratie van endometriosehaarden in
de ureterwand, met fibrose en vernauwing van het lu-
men als gevolg. Dit kan leiden tot obstructie, hydro-
nefrose en uiteindelijk nierf unctieverlies. In het geval
van extrinsieke ureterendometriose, wat in 80 % van
de ureterendometriose voorkomt, groeit het endome-
trioseweefsel om de ureter, wat kan leiden tot com-
pressie van de ureter, hydronefrose en nierschade [ 6].
Andere symptomen die kunnen voorkomen zijn flank-
pijn en macroscopische hematurie [ 7, 8]. 50 % van de
patiënten met ureterendometriose zijn asymptoma-
tisch, waardoor de diagnose vaak laat wordt gesteld.
Chirurgische interventie is meestal noodzakelijk
om de ureterobstructie op te heffen en eventueel
nierfunctieverlies te voorkomen. Mogelijke ingrepen
kunnen een ureterolyse zijn met resectie van aangren-
zende diepe endometriose laesies, en in ernstigere
gevallen kan een ureter-re-implantatie noodzakelijk
zijn, of, zelden, een nefrectomie [ 9].
Voor de diagnostiek zijn transvaginale echografie
en magnetic resonance ima ging (MRI) de belangrijk-
ste modaliteiten. Beide hebben een hoge specificiteit
(98 %), maar de positief voorspellende waarde neemt
af bij lage prevalentie, bij voorbeeld bij aspecifieke
klachten [ 5]. De uitgebreidheid en lokalisatie van
de laesies kunnen worden beschreven met de #En-
zian-classificatie, een internationaal erkend systeem
dat diepe endometriose pe r compartiment kenmerkt
en benoemt. Hierbij onderscheiden we A: vagina/
rectovaginaal, B: sacro-uteriene ligamenten, C: rec-
tum, en aanvullende F-categorieën voor onder andere
blaas en ureter [ 10].
De behandeling van UGE is doorgaans chirurgisch
en kan bestaan uit blaasnodusexcisie, partiële blaas-
resectie, ureterolyse of ureter-re-implantatie [ 5]. In
Nederland worden deze ingrepen in opzet laparosco-
pisch of robotgeassisteerd uitgevoerd. In ons endome-
triosecentrum worden patië nten met UGE uitsluitend
laparoscopisch geopereerd. Hierbij speelt de wense-
lijkheid van radicale resectie geregeld een rol, waar-
bij radicaliteit moet worden afgewogen tegen het be-
houd van de orgaanfunctie. Omdat UGE vaak ver-
scheidene bekkenstructuren betreft en chirurgisch in-
grijpen risico’ s met zich meebrengt, is een multidisci-
plinaire aanpak met betrokkenheid van gynaecoloog,
uroloog en zo nodig een darmchirurg essentieel. Deze
samenwerking bevordert een zorgvuldigere preopera-
tieve planning en ondersteunt het maken van wel-
overwogen keuzen ten aanzien van de chirurgische
behandeling van diepe endometriose.
Het doel van dit onderzoek was het beschrijven van
de prevalentie, klinische presentatie, beeldvorming,
chirurgische behandeling en postoperatieve compli-
caties van UGE binnen een gespecialiseerd Neder-
lands endometriosecentrum. Daarnaast werd de over-
eenkomst tussen preoperatieve MRI-bevindingen vol-
gens de #Enzian-classificatie en intraoperatieve be-
vindingen geëvalueerd. Gezien het beschrijvende ka-
rakter van dit onderzoek werd geen hypothese ge-
toetst, maar beoogt dit onderzoek inzicht te geven in
de Nederlandse praktijkvoering en de klinische ken-
merken van deze patiëntengroep.
Methode
Patiënten
In totaal werden 1.568 patiënten die tussen januari
2018 en april 2024 in het endometriosecentrum een
operatie ondergingen voor diepe endometriose geïn-
cludeerd in dit retrospectieve cohortonderzoek. Van
hen kregen er 507 uitsluitend een profylactische peri-
operatieve ureterkatheter of JJ-katheter ter identifica-
tie van de ureters, zonder therapeutische urologische
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
interventie. Deze patiënten werden geëxcludeerd.
Wanneer tevens een therapeutische urologische in-
greep werd verricht, werden zij wel geïncludeerd.
Uiteindelijk werden 80 patiënten met diepe endo-
metriose en betrokkenheid van de blaas en/of ureter
geïncludeerd, die een chirurgische behandeling we-
gens UGE ondergingen.
De indicatie voor chirurgie werd bepaald op basis
van de klachten, beeldvormi ng (MRI-scan en transva-
ginale echo), uitgebreidheid van de laesies en risico
op orgaanschade, zoals ureterobstructie of hydrone-
frose. Bij 42 patiënten speelden urologische klachten
mede een rol; bij 38 patiënten waren andere endo-
metriosegerelateerde klachten leidend. Ook asymp-
tomatische urologische laesies konden onderdeel zijn
van de chirurgische behandeling wanneer radicale
resectie wenselijk werd geacht of bij een risico op toe-
komstige klachten. De preoperatieve evaluatie werd
verricht door een multidisci plinair team, dat bestond
uit een gynaecoloog, uroloog, chirurg en radioloog,
en omvatte een uitgebreide anamnese, lichamelijk
onderzoek, een urinekweek, nierfunctietests en een
MRI-bekken. Betrokkenheid van de uroloog werd niet
uitsluitend bepaald door de aanwezigheid van urolo-
gische klachten, maar ook door preoperatieve beeld-
vorming en de verwachte anatomische uitgebreidheid
van de ziekte. Urologische consultatie vond plaats bij
verdenking op blaas- of ureterbetrokkenheid, hydro-
nefrose, afwijkingen nabij het vesico-ureterale tra-
ject of wanneer reconstructieve urologische chirurgie
mogelijk noodzakelijk werd geacht. Hierdoor kon
urologische expertise waar mogelijk preoperatief wor-
den ingezet. MRI-scans werden beoordeeld door een
radioloog. Sinds 2020 zijn deze systematisch geclas-
sificeerd volgens de #Enzian-classificatie. De analyse
van de overeenkomst tussen MRI- en intraoperatieve
bevindingen werd beperkt tot patiënten bij wie de
#Enzian-classificatie systematisch was geregistreerd
(2020–2024). Ook de intraoperatieve bevindingen
werden door de opererende gynaecoloog systema-
tisch vastgelegd volgens de #Enzian-classificatie. De
vergelijking met MRI-scans vond plaats op basis van
lokalisatie en betrokken compartimenten. Dysurie
werd gedefinieerd als pijnlijke of branderige mictie.
Recidiverende urineweginfecties werden gedefinieerd
als ≥2 infecties binnen 6 maanden of ≥3 infecties
binnen 1 jaar, bevestigd met een urinekweek.
De gegevens werden verkregen via een zieken-
huisbrede datadienst die patiëntgegevens codeert en
structureel verzamelt voor analyse van klinische zorg
per afdeling. Het onderzoek was niet WMO-plichtig
en maakte uitsluitend gebruik van geanonimiseerde
data. Lokale uitvoerbaarheid en uitvoering van het
onderzoek werden goedgekeurd door de Raad van
Bestuur van het Haaglanden Medisch Centrum.
Operaties
Alle 80 geïncludeerde patiënten hadden diepe en-
dometriose met betrokkenheid van de blaas en/of
ureters. Bij al deze patiënten werd een laparoscopi-
sche radicale resectie van de endometriosehaarden
verricht. Afhankelijk van de uitgebreidheid en loka-
lisatie werd gekozen voor blaasnodusexcisie, partiële
blaasresectie, ureterolyse, ureter-re-implantatie of
nefrectomie. Bij uitgebreide endometriosechirurgie
wordt de operatieve strategie vooraf afgestemd, inclu-
sief de volgorde van de ingrepen, om naad-op-naad-
situaties en daarmee fistelvorming te voorkomen.
Postoperatief kregen alle patiënten een transurethrale
verblijfskatheter. Bij ureteroperaties werd aanvullend
een JJ-katheter geplaatst, voor minimaal 4 weken. De
follow-up was afhankelijk van het type ingreep. Bij
ureterbetrokkenheid vond doorgaans controle plaats
na 3 weken en 3 maanden na JJ-verwijdering. Bij
blaasnodusresecties werden katheterduur en even-
tuele cystografische controle individueel bepaald.
Postoperatieve complicaties werden retrospectief ge-
classificeerd volgens de Clavien-Dindo-classificatie.
Resultaten
Van de 1.568 patiënten die een chirurgische ingreep
ondergingen wegens diepe endometriose werden
80 patiënten geopereerd vanwege UGE. Hiermee be-
droeg de prevalentie in dit cohort 5,1 % ( n = 80/1568).
De gemiddelde leeftijd van deze groep was 35,6 jaar
(spreiding 26–47) en de gemiddelde BMI 24,0. Van de
80 patiënten met UGE hadden er 34 blaasendometri-
ose, 32 ureterendometriose en 14 een gecombineerde
betrokkenheid van blaas en ureter. Infiltraties naar
andere orgaansystemen werden ook geanalyseerd
(tab. 1). Aanvullende gegevens over lokalisatie en
operatieve kenmerken zijn opgenomen in appendix 1
en appendix 2 in de digitaal aanvullende content.
Preoperatief hadden 42 patiënten urologische
symptomen, terwijl de overige 38 patiënten een ope-
ratie-indicatie hadden op basis van andere endo-
metriosegerelateerde klachten, zonder voorafgaande
urologische symptomen. Dysurie werd het meest fre-
quent gerapporteerd ( n = 29), gevolgd door urgency
(n =3 ) , f r e q u e n c y (n = 3), recidiverende urinewegin-
fecties ( n = 3), urine-incontinentie ( n =2 ) , fl a n k p i j n
(n =1 ) e n h e m a t u r i e (n = 1). Patiënten met blaas-
betrokkenheid vertoonden significant vaker dysurie
dan patiënten met uitsluitend ureterbetrokkenheid.
Daarnaast werd hydronefrose frequent gezien bij ure-
terendometriose en correleerde deze sterk met laesies
ter hoogte van de sacro-uteriene ligamenten, zoals
weergegeven in tab. 2.
Op de MRI werden in totaal 118 infiltraties vastge-
steld, waarbij verscheidene laesies per patiënt werden
vastgesteld. De meest voorkomende locaties, buiten
de blaas en ureters, waren het sacro-uteriene ligament
(n = 43), het rectosigmoïd ( n = 25), het rectum ( n = 19),
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
Ta b e l 1 Patiëntkenmerken
mediaan ± sd n %
operaties UGE 80
leeftijd (j) 35,6 ± 6,1
BMI (kg/m2) 24,0 ± 4,5
blaasbetrokkenheid 34 42,5
ureterbetrokkenheid: 32 40,0
– links 20 25,0
–r e c h t s 8 10,0
– bilateraal 4 5,0
Blaas- en ureterbetrokkenheid 14 17,5
infiltratie naar andere anatomi-
sche* locaties:
118
–S U L 43 36,4
–r e c t u m 19 16,1
– rectovaginaal 9 7,6
– rectosigmoïd 25 21,1
–u t e r u s 16 13,6
– umbilicus 1 0,8
– longen 1 0,8
– diafragma 2 1,7
– omentum 2 1,7
urologische symptomen:* 42
–u r g e 3 7,1
– frequency 3 7,1
–d y s u r i e 29 69,0
– recidiverende UWI 3 7,1
– flankpijn 1 2,4
– urine-incontinentie 2 4,8
– hematurie 1 2,4
hydronefrose 23
UGE urogenitale endometriose, SUL sacro-uteriene ligament, UWI urineweg-
infectie
* Verscheidene infiltraties naar locaties en symptomen mogelijk voor 1 pa-
tiënt
de uterus ( n = 16) en het rectovaginale compartiment
(n = 9). Minder voorkomende foci van endometriose
werden aangetroffen in het diafragma, het omentum,
de longen en de navel. De analyse van de overeen-
k o m s tt u s s e nd eM R I - s c a ne ni n t r a o p e r a t i e v eb e v i n -
dingen werd uitgevoerd bij 56 patiënten (70 %), bij wie
de #Enzian-classificatie vanaf 2020 systematisch was
Ta b e l 2 Preoperatieve symptomen
totaal blaas
(n = 34)
ureter
(n = 32)
beide
(n = 14)
p-waarde
urge 3 2 1 0
frequency 3 2 0 1
dysurie 29 20 4 5 0,001
recidiverende UWI 3 2 0 1
flankpijn 1 0 0 1
urine-incontinentie 2 0 2 0
hematurie 1 1 0 0
hydronefrose 23 0 23 0 0,001
UWI urineweginfectie
geregistreerd. Bij 46 van deze 56 patiënten (82 %) ble-
ken de preoperatieve MRI-bevindingen accuraat ten
opzichte van de intraoperatieve bevindingen. Bij de
overige 10 patiënten waren de laesies wel in het radio-
logieverslag beschreven, maar niet volgens #Enzian
geregistreerd.
Wat betreft de chirurgische behandeling werden bij
patiënten met blaasbetrokkenheid in totaal 47 blaas-
nodusexcisies verricht. Ureterolyse werd uitgevoerd
bij 27 patiënten, terwijl 9 patiënten een distale ure-
terresectie met ureter-re-implantatie ondergingen.
Bij twee patiënten werd nefrectomie verricht wegens
een afunctionele nier, vastgesteld met renografie of
DMSA-scan (tab. 3).
Tijdens de follow-up werden bij 26 patiënten com-
plicaties geregistreerd. Het merendeel betrof Clavien-
Dindo-graad I–II-complicaties. Graad III complicaties
betroffen blaaslekkage ( n =3 ) e n u r e t e r l e t s e l (n =5 ) ,
waarvoor herinterventie noodzakelijk was. Er werden
geen graad IV–V-complicaties gezien. De meest voor-
komende complicaties waren toegenomen urgency
(n = 6) direct postoperatief, vooral bij patiënten met
blaasendometriose, en recidiverende urineweginfec-
ties ( n = 5). De urgencyklachten waren meestal mild
en van voorbijgaande aard; slechts 2 patiënten had-
den aanvullende behandeling nodig, van wie 1 met
medicatie en 1 met PTNS. Daarnaast werd bij 3 pa-
tiënten urineretentie gezien. 1 patiënte startte met
clean intermittent catheterisation (CIC); de overige
patiënten hadden geen klinisch relevante klachten.
Ernstige complicaties traden uitsluitend op bij pa-
tiënten met uitgebreide gecombineerde resecties en
hingen samen met langere operatieduur en opname-
duur (tab. 4 en 5).
Discussie
In dit retrospectieve cohortonderzoek werd een pre-
valentie van 5,1 % gevonden voor urogenitale endo-
metriose (UGE) binnen een cohort van geopereerde
patiënten met diepe endometriose (DE). Dysurie
bleek het meest voorkomende urologische symptoom
bij blaasbetrokkenheid, terwijl ureterendometriose
frequent asymptomatisch was en vaak pas werd vast-
gesteld bij aanwezigheid van hydronefrose. Daar-
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
Ta b e l 3 Uitgevoerde urologische operaties
totaal blaas
(n = 34)
ureter
(n = 32)
beide
(n = 14)
p-waarde
ureterolyse 27 – 17 10
ureter-re-implantatie 18 – 14 4 0,001
blaasnodusresectie 42 39 – 13
partiële blaasresectie 5 4 – 1 0,001
nefrectomie 2 1 1 –
operatietijd gemiddeld (u) 04:03 03:26 03:50 04:05
opnametijd (d) 3 dagen 3 dagen 3 dagen 4 dagen
Ta b e l 4 Postoperatieve complicaties
totaal blaas
(n = 34)
ureter
(n = 32)
beide
(n = 14)
complicaties: 25 11 9 5
– postoperatief ureterletsel 5 1 2 2
– postoperatieve blaaslek-
kage
2 2 0 0
–u r g e 6 2 1 3
– frequency 2 2 0 0
– hematurie 2 1 1 0
–U W I 5 3 2 0
– urineretentie 3 0 3 0
Ta b e l 5 Clavien-Dindo-classificatie
graad I graad II graad III graad IV–V
complicaties:
– postoperatief ureterletsel 5
– postoperatieve blaaslek-
kage
2
–u r g e 6
– frequency 2
– hematurie 2
–U W I 5
– urineretentie 3
Clavien–Dindo-classificatie: indeling van postoperatieve complicaties op
basis van ernst en benodigde behandeling
Graad I: afwijkend postoperatief beloop zonder noodzaak tot behandeling of
interventie
Graad II: complicaties waarvoor behandeling noodzakelijk is
Graad III: complicaties waarvoor een chirurgische, endoscopische of radiolo-
gische interventie noodzakelijk is
Graad IV: levensbedreigende complicaties met noodzaak tot IC-opname
Graad V: overlijden
naast werd een goede overeenkomst gevonden tussen
preoperatieve MRI-bevindingen volgens de #Enzian-
classificatie en intraoperatieve waarnemingen. Ern-
stige complicaties waren zeldzaam en traden voorna-
melijk op bij uitgebreide gecombineerde resecties.
Vergelijking met eerdere onderzoeken
Onze bevindingen sluiten aan bij die van eerdere pu-
blicaties waarin blaasendometriose vooral werd geas-
socieerd met irritatieve mictieklachten zoals dysurie,
hematurie en recidiverende ur ineweginfecties, terwijl
ureterendometriose vaak asymptomatisch verloopt en
in verband wordt gebracht met hydronefrose en ver-
lies van nierfunctie [ 11, 12]. Dat ureterbetrokkenheid
in ons cohort leidde tot 2 afunctionele nieren onder-
streept het klinische belang van tijdige diagnostiek en
adequate nierfunctiebewaking. Deze bevinding be-
vestigt dat ureterendometriose, ondanks een relatief
lage prevalentie, klinisch relevante consequenties kan
hebben.
In lijn met eerdere literatuur laat ons onderzoek
zien dat MRI een belangrijke rol speelt in de preope-
ratieve evaluatie van UGE [ 13]. De overeenkomst
van 82 % tussen MRI- en intraoperatieve bevindingen
wijst op een goede, maar niet volledige, voorspel-
lende waarde van de #Enzian-classificatie. In 18 %
van de gevallen was er een discrepantie tussen ra-
diologische en operatieve bevindingen. Op basis van
de beschikbare retrospectieve gegevens kon echter
niet systematisch worden vastgesteld of MRI de uit-
gebreidheid van de afwijkingen voornamelijk over-
dan wel onderschatte. Deze bevindingen suggereren
dat de MRI-scan een essentieel hulpmiddel is voor de
preoperatieve beoordeling, maar dat intraoperatieve
evaluatie noodzakelijk blijft voor definitieve vaststel-
ling van de uitgebreidheid en lokalisatie van de ziekte,
wat weer consequenties heeft voor de preoperatieve
counseling van de patiënten.
Complicaties en operatieve complexiteit
Ernstige complicaties, waaronder ureterletsel en
blaaslekkage, traden uitsluitend op bij patiënten met
uitgebreide diepe endometriose bij wie multipele co-
resecties noodzakelijk waren, en gingen gepaard met
een langere operatieduur en opnameduur. Zo trad bij
3 patiënten na blaasnodusresectie blaaslekkage op.
Dit werd vastgesteld op basis van verhoogde drain-
productie of controlecystografie en behandeld met
secundaire laparoscopische sluiting ( n =2 ) o f c o n s e r -
vatief met verlengde katheterdrainage ( n =1 ) , t e l k e n s
met volledig herstel. Bij 3 patiënten trad ureterletsel
op, meestal niet ten tijde van het urologische deel
van de totale ingreep. 1 letsel werd peroperatief her-
kend en primair hersteld, maar leidde later alsnog tot
stenose waarvoor ureter-re-implantatie noodzakelijk
was. 1 letsel werd postoperatief ontdekt in de context
van complexe bekkensepsis en persisterende uri-
nelekkage, waarna uiteindeli jk ureter-re-implantatie
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
volgde. Bij 1 patiënte werd op de eerste postoperatieve
dag met CT een ureterletsel vastgesteld, waarna direct
ureter-re-implantatie werd verricht. Het merendeel
van de postoperatieve complicaties was mild (Cla-
vien-Dindo-graad I–II), terwijl ernstige complicaties
zeldzaam waren. Dit is in lijn met eerdere onder-
zoeken waarin complicatiepercentages na chirurgie
voor urogenitale endometriose over het algemeen
laag tot matig zijn, maar variëren afhankelijk van de
patiëntselectie, de uitgebreidheid van de ziekte en het
type ingreep. Zo werd in een cohort van 70 patiënten
een fistelpercentage van 5,7 % en een heroperatieper-
centage van 7,1 % binnen 6 maanden gerapporteerd.
Vergelijking met de literatuur blijft echter lastig door
heterogeniteit in populati es en definities van compli-
caties [ 12, 14, 15]. Door het retrospectieve karakter
van ons onderzoek konden geen vergelijkingen wor-
den gemaakt tussen verschillende organisatorische of
chirurgische benaderingen [ 16–18]. Hoewel de meer-
waarde hiervan niet specifiek is onderzocht, kan een
multidisciplinaire aanpak bijdragen aan zorgvuldige
planning en behandeling v an complexe endometri-
ose.
Klinische implicaties
De bevinding dat ureterendometriose frequent asymp-
tomatisch verloopt, onderstreept het belang van sys-
tematische preoperatieve beeldvorming en nierfunc-
tiebepaling bij patiënten met diepe endometriose.
Vroege detectie van hydrone frose kan irreversibele
nierschade mogelijk voorkomen. Het feit dat een
substantieel deel van de patiënten geen urologische
klachten had, onderstreept dat symptoomgestuurde
selectie alleen onvoldoende kan zijn om urogenitale
betrokkenheid tijdig te herkennen. Preoperatieve
beeldvorming en anatomische kenmerken spelen
daarom een belangrijke rol bij het identificeren van
patiënten bij wie vroege urologische betrokkenheid
wenselijk is. Daarnaast kan op basis van preoperatieve
MRI-bevindingen een gerichte operatieve strategie
worden opgesteld. In ons centrum vindt preoperatief
multidisciplinair overleg plaats, waarbij gynaecoloog,
uroloog, chirurg en radioloog gezamenlijk het ope-
ratieve beleid bepalen. Hoewel dit onderzoek de
meerwaarde van deze werkwijze niet specifiek heeft
onderzocht en geen vergelijking met alternatieve be-
handelmodellen toelaat, faciliteert deze aanpak een
gestructureerde voorbereiding van complexe ingrepen
en afstemming van gecombineerde resecties.
Sterke punten en beperkingen
Een belangrijk sterk punt van dit onderzoek is de rela-
tief grote patiëntengroep met urogenitale endometri-
ose binnen 1 gespecialiseerd Nederlands centrum. De
uniforme laparoscopische b enadering en de systema-
tische toepassing van MRI in de preoperatieve evalua-
tie dragen bij aan de consiste ntie en interne validiteit
van de bevindingen. Daarnaast is dit een van de eerste
onderzoeken die specifiek de Nederlandse praktijk be-
schrijft van de chirurgische behandeling van urogeni-
tale endometriose, waarin la paroscopische chirurgie
de standaardbenadering vormt.
Dit onderzoek kent enkele beperkingen. T en eerste
wordt de #Enzian-classificatie pas sinds 2020 syste-
matisch toegepast, waardoor de correlatie tussen ra-
diologische en intraoperatieve bevindingen slechts in
een subgroep kon worden geanalyseerd. Retrospec-
tieve herclassificatie van eerdere MRI-scans viel bui-
t e nd eo p z e tv a nd i to n d e r z o e ke nv o l l e d i g eg e s t a n -
daardiseerde beeldvorming was niet voor alle patiën-
ten beschikbaar. Dit beïnvloedt de klinische uitkom-
sten niet, maar beperkt de generaliseerbaarheid van
de bevindingen over de diagnostische waarde van MRI
over de hele onderzoeksperiode. T en tweede betreft
het een retrospectieve analyse waarin uitsluitend pa-
tiënten met een operatieve indicatie zijn geïncludeerd,
wat kan leiden tot selectieb ias richting ernstigere of
symptomatische ziekte. Daarnaast werden patiënten
geëxcludeerd bij wie uitsluitend profylactisch een ure-
terkatheter werd geplaatst ter intraoperatieve identi-
ficatie van de ureters, omdat dit niet als therapeuti-
sche urologische interventie werd beschouwd en de
katheter meestal tijdens dezelfde procedure werd ver-
wijderd. Hierdoor kunnen milde kathetergerelateerde
complicaties, zoals hematurie of urineweginfectie, in
dit onderzoek zijn onderschat. Patiënten bij wie aan-
vullend een therapeutische ingreep, zoals ureterolyse,
werd verricht, werden wel geïncludeerd. De resulta-
ten zijn daarom vooral representatief voor een chi-
rurgisch behandelde populatie binnen een gespeciali-
seerd centrum. T ot slot laat het retrospectieve karakter
geen vergelijking toe tussen verschillende behandel-
strategieën of organisatorische modellen, zodat geen
causale conclusies kunnen worden getrokken over de
invloed daarvan op de klinische uitkomsten.
Conclusie
UGE is een zeldzame maar klinisch relevante manifes-
tatie van diepe endometriose. Dysurie komt frequent
voor bij blaasbetrokkenheid, terwijl ureterendometri-
ose vaak asymptomatisch verloopt en gepaard kan
gaan met hydronefrose en een risico op nierfunctie-
verlies. MRI volgens de #Enzian-classificatie blijkt een
bruikbaar instrument voor de preoperatieve beoorde-
ling, met een goede overeenkomst met intraoperatieve
bevindingen. Chirurgische behandeling van UGE bin-
nen een gespecialiseerd centrum gaat gepaard met
een acceptabel complicatieprofiel. Verdere onderzoe-
ken zijn gewenst om de diagnostische strategie en be-
handeluitkomsten prospectief te evalueren.
Data availability All data supporting the findings of this work
are included in the article.
Open Access This article is licensed under a Creative Com-
mons Attribution 4.0 International License, which permits
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .
Artikel
use, sharing, adaptation, distribution and reproduction in
any medium or format, as long as you give appropriate credit
to the original author(s) and the source, provide a link to
the Creative Commons licence, and indicate if changes were
made. The images or other third party material in this article
are included in the article’ s Creative Commons licence, unless
indicated otherwise in a credit line to the material. If material
is not included in the article’ s Creative Commons licence and
your intended use is not permitted by statutory regulation or
exceeds the permitted use, you will need to obtain permis-
sion directly from the copyright holder. T o view a copy of this
licence, visit http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/.
Literatuur
1. Horne AW , Missmer SA. Pathophysiology, diagnosis, and
management of endometriosis. BMJ. 2022;379:e070750.
2 . T e n n f j o r dM K ,G a b r i e l s e nR ,T e l l u mT .E f f e c to fp h y s i c a la c -
tivity and exercise on endometriosis-associated symptoms:
a systematic review . BMC Womens Health. 2021;21(1)355.
3 . L u k a cS ,S c h m i dM ,P fi s t e rK ,e ta l . E x t r a g e n i t a le n d o -
metriosis in the differential diagnosis of non-gynecological
diseases. Dtsch Arztebl Int. 2022;119(20):361–7.
4. Gabriel I, Vitonis AF , Missmer SA, et al. Association between
endometriosis and lower urinary tract symptoms. Fertil
Steril. 2022;117(4):822–30.
5. Leonardi M, Espada M, Kho RM, et al. Endometriosis and
the urinary tract: from diagnosis to surgical treatment.
Diagnostics (Basel). 2020;10(10)771.
6. Chapron C, Chiodo I, Leconte M, et al. Severe ureteral en-
dometriosis: the intrinsic type is not so rare after complete
surgical exeresis of deep endometriotic lesions. Fertil Steril.
2010;93(7):2115–20.
7. Soriano D, Schonman R, Nadu A, et al. Multidisciplinary
team approach to management of severe endometriosis
affecting the ureter: long-term outcome data and treatment
algorithm. J Minim Invasive Gynecol. 2011;18(4):483–8.
8. Comiter CV . Endometriosis of the urinary tract. Urol Clin
North Am. 2002;29(3):625–35.
9. Pérez-UtrillaPérezM, AguileraBazán A, AlonsoDorrego JM,
et al. Urinary tract endometriosis: clinical, diagnostic, and
therapeutic aspects. Urology . 2009;73(1):47–51.
10. International Society for Gynecologic Endoscopy . En-
zian classification – a new description of endometri-
osis for invasive and noninvasive diagnosis. 2022.
https://www.isge.org/2022/04/enzian-classification-a-
new-description-of-endometriosis-for-invasive-and-
noninvasive-diagnosis/. Geraadpleegd op: 15 apr 2025.
1 1 .G a b r i e lB ,N a s s i fJ ,T r o m p o u k i sP ,e ta l . P r e v a l e n c ea n d
management of urinary tract endometriosis: a clinical case
series. Urology . 2011;78(6):1269–74.
12. T opda˘g ıE P ,Y a p ç aÖ E ,A y n a o˘glu Yıldız G, et al. Mana-
gement of patients with urinary tract endometriosis by
gynecologists. J Turk Ger Gynecol Assoc. 2021;22(2):112–9.
13. Maccagnano C, Pellucchi F , Rocchini L, et al. Diagnosis and
treatment of bladder endometriosis: state of the art. Urol
Int. 2012;89(3):249–58.
14. SchonmanR,DotanZ,WeintraubAY,etal. Deependometri-
osis inflicting the bladder: long-term outcomes of surgical
management. Arch Gynecol Obstet. 2013;288(6):1323–8.
15. Berlanda N, Vercellini P , Carmignani L, et al. Ureteral
and vesical endometriosis. T wo different clinical entities
sharing the same pathogenesis. Obstet Gynecol Surv.
2009;64(12):830–42.
16. Freire MJ, Dinis PJ, Medeiros R, et al. Deep infiltrating
endometriosis – urinary tract involvement and predictive
factors for major surgery . Urology . 2017;108:65–70.
17. Rocha MA, Mendes G, Castro LF , et al. Outcomes of urinary
tract endometriosis – laparoscopic treatment: a 10-year
retrospective study . J Clin Med. 2023;12(22)6996.
18. Darwish B, Stochino-Loi E, Pasquier G, et al. Surgical
outcomes of urinary tract deep infiltrating endometriosis.
J Minim Invasive Gynecol. 2017;24(6):998–1006.
Hanzhe Dong, anios urologie
Eefje Oude Lohuis, gynaecoloog
Johanna M.A de Bruin, anios gynaecologie
Bob Theodoor Merks, uroloog
Klinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .