{"paper_id":"a15b7a1a-974b-44b8-9db3-6662d63f904c","body_text":"Artikel\nTijdschr Urol\nhttps://doi.org/10.1007/s13629-026-00504-9\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling\nvan urogenitale endometriose: een retrospectief\ncohortonderzoek\nHanzhe Dong · Eefje Oude Lohuis · Joha nna M. A de Bruin · Bob Theodoor Merks\nOntvangen op: 12 maart 2026/ Geaccepteerd op: 29 juli 2026\n© The Author(s) 2026\nSamenvatting Endometriose kan verscheidene or-\ngaansystemen aantasten. Urogenitale endometriose\n(UGE) is een zeldzame vorm van diepe endometriose\nmet betrokkenheid van blaas en/of ureters. In dit\nretrospectieve cohortonderzoek werden 80 vrouwen\nmet UGE geïdentiﬁceerd onder 1.568 geopereerde\npatiënten met diepe endometriose (2018–2024), over-\neenkomend met een prevalentie van 5,1 %. Blaasen-\ndometriose kwam voor bij 34 patiënten, ureterbe-\ntrokkenheid bij 32 en gecombineerde ziekte bij 14.\nDysurie trad vaker op bij blaasbetrokkenheid, terwijl\nureterbetrokkenheid geassocieerd was met hydrone-\nfrose. MRI volgens de #Enzian-classiﬁcatie kwam in\n82 % overeen met intraoperatieve bevindingen. Chi-\nrurgische behandeling bestond uit blaasnodusexcisie,\nureterolyse, ureter-re-implantatie of nefrectomie. Het\nmerendeel van de complicaties was mild; ernstige\ncomplicaties waren zeldzaam. Chirurgische behan-\ndeling van UGE in een gespecialiseerd centrum gaat\ngepaard met een acceptabel complicatieproﬁel en\nMRI is bruikbaar voor preoperatieve beoordeling.\nDaarnaast kan een multidisciplinaire aanpak bijdra-\ngen aan een succesvolle operatieve behandeling.\nTrefwoorden urogenitale endometriose ·\nureterolyse · ureter-re-implantatie · hematurie\nDigitaal aanvullende content De online versie van dit\nartikel (https://doi.org/10.1007/s13629-026-00504-9)\nbevat aanvullend materiaal, toegankelijk voor daartoe\ngeautoriseerde gebruikers.\nH. Dong (/envelopeback) · B. T . Merks\nAfdeling Urologie, Haaglanden Medisch Centrum, Den\nHaag, Nederland\nhanzhedong99@gmail.com\nE. Oude Lohuis · J. M. A. de Bruin\nAfdeling Gynaecologie, Haaglanden Medisch Centrum, Den\nHaag, Nederland\nClinical characteristics and surgical treatment of\nurogenital endometriosis: a retrospective cohort\nstudy\nAbstract Endometriosis may affect multiple organ\nsystems. Urogenital endometriosis (UGE) is a rare\nform of deep endometriosis involving the bladder\nand/or ureters. In this retrospective cohort study,\n80 women with UGE were identiﬁed among 1,568\nsurgically treated patient s with deep endometriosis\n(2018–2024), corresponding to a prevalence of 5.1%.\nBladder endometriosis was present in 34 patients,\nureteral involvement in 32, and combined disease\nin 14. Dysuria was more common in bladder disease,\nwhereas ureteral involvement was associated with hy-\ndronephrosis. Magnetic Resonance Imaging using the\n#Enzian classiﬁcation sho wed 82% concordance with\nintraoperative ﬁndings. Surgical treatment consisted\nof bladder nodule excision, ureterolysis, ureteral reim-\nplantation, or nephrectomy . Most complications were\nmild, and severe complications were uncommon.\nSurgical treatment of UGE in a specialized center is\nassociated with an acceptable complication proﬁle,\nand MRI is useful for preoperative assessment. A mul-\ntidisciplinary approach may contribute to successful\nsurgical management.\nKeywords Urogenital endometriosis · Ureterolysis ·\nUreteral reimplantation · Hematuria\nIntroductie\nEndometriose is een chronische, goedaardige aandoe-\nning die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van\nendometriumachtig weefsel buiten de baarmoeder.\nDe exacte etiologie is onbekend. Symptomen worden\ntoegeschreven aan de chronische ontstekingsreac-\ntie en littekenvorming die veroorzaakt wordt door de\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\naanwezigheid van dit endometriumachtig weefsel bui-\nten de baarmoeder. De prevalentie wordt geschat op\n5–10 %, al wordt aangenomen dat dit cijfer een onder-\nschatting is omdat er asymptomatische gevallen zijn\n[1]. Veelvoorkomende klachten van endometriose zijn\ndysmenorroe, dyspareunie, chronische bekkenpijn en\nsubfertiliteit. Daarnaast kunnen gastro-intestinale en\nurologische symptomen optreden. We onderscheiden\n3 fenotypen: oppervlakkige endometriose, ovarium-\nendometriomen en diepe endometriose (DE) [ 2].\nEndometriose van de blaas\nUrogenitale endometriose (UGE) is een subtype van\nDE waarbij de blaas en/of ureters zijn aangedaan, en\ndie gekenmerkt wordt door een inﬁltratie van meer\ndan 5 mm in het peritoneum [ 1]. Naast de blaas en\nureters zijn vaak ook andere structuren betrokken,\nzoals de sacro-uteriene ligamenten, het rectosigmoïd\nen de vaginatop [ 3]. Blaasendometriose manifesteert\nzich meestal ter hoogte van de blaasachterwand en de\nkoepel, en kan zowel in de m. detrusor als daarbui-\nten voorkomen. Veelvoorkomende symptomen van\nblaasendometriose zijn dysurie, urgency en frequency .\nPatiënten kunnen ook klachten hebben van recidive-\nrende urineweginfecties, hematurie en, minder vaak,\nurine-incontinentie [ 4].\nDe behandeling van blaasendometriose is meestal\noperatief. Hierbij worden de serosale laesies en de en-\ndometriose nodule(s) volledig gereseceerd. Mogelijke\ncomplicaties van de chirurgische ingreep zijn: post-\noperatieve bloedingen, blaaslekkage en urgency . Zeer\nzelden, in het geval van gecombineerde operaties, is\ner een kleine kans op het ontstaan van vesicorectale\nof -vaginale ﬁsteling [ 5].\nEndometriose van de ureter\nEndometriose van de ureter wordt gekenmerkt door\nde aanwezigheid van endometriumweefsel en litte-\nkenweefsel op de ureter. Er zijn 2 vormen van ure-\nterbetrokkenheid te onderscheiden: intrinsieke en ex-\ntrinsieke endometriose. Intrinsieke ureterendometri-\nose, die voorkomt in 20 % van de gevallen, wordt ge-\nkenmerkt door inﬁltratie van endometriosehaarden in\nde ureterwand, met ﬁbrose en vernauwing van het lu-\nmen als gevolg. Dit kan leiden tot obstructie, hydro-\nnefrose en uiteindelijk nierf unctieverlies. In het geval\nvan extrinsieke ureterendometriose, wat in 80 % van\nde ureterendometriose voorkomt, groeit het endome-\ntrioseweefsel om de ureter, wat kan leiden tot com-\npressie van de ureter, hydronefrose en nierschade [ 6].\nAndere symptomen die kunnen voorkomen zijn ﬂank-\npijn en macroscopische hematurie [ 7, 8]. 50 % van de\npatiënten met ureterendometriose zijn asymptoma-\ntisch, waardoor de diagnose vaak laat wordt gesteld.\nChirurgische interventie is meestal noodzakelijk\nom de ureterobstructie op te heffen en eventueel\nnierfunctieverlies te voorkomen. Mogelijke ingrepen\nkunnen een ureterolyse zijn met resectie van aangren-\nzende diepe endometriose laesies, en in ernstigere\ngevallen kan een ureter-re-implantatie noodzakelijk\nzijn, of, zelden, een nefrectomie [ 9].\nVoor de diagnostiek zijn transvaginale echograﬁe\nen magnetic resonance ima ging (MRI) de belangrijk-\nste modaliteiten. Beide hebben een hoge speciﬁciteit\n(98 %), maar de positief voorspellende waarde neemt\naf bij lage prevalentie, bij voorbeeld bij aspeciﬁeke\nklachten [ 5]. De uitgebreidheid en lokalisatie van\nde laesies kunnen worden beschreven met de #En-\nzian-classiﬁcatie, een internationaal erkend systeem\ndat diepe endometriose pe r compartiment kenmerkt\nen benoemt. Hierbij onderscheiden we A: vagina/\nrectovaginaal, B: sacro-uteriene ligamenten, C: rec-\ntum, en aanvullende F-categorieën voor onder andere\nblaas en ureter [ 10].\nDe behandeling van UGE is doorgaans chirurgisch\nen kan bestaan uit blaasnodusexcisie, partiële blaas-\nresectie, ureterolyse of ureter-re-implantatie [ 5]. In\nNederland worden deze ingrepen in opzet laparosco-\npisch of robotgeassisteerd uitgevoerd. In ons endome-\ntriosecentrum worden patië nten met UGE uitsluitend\nlaparoscopisch geopereerd. Hierbij speelt de wense-\nlijkheid van radicale resectie geregeld een rol, waar-\nbij radicaliteit moet worden afgewogen tegen het be-\nhoud van de orgaanfunctie. Omdat UGE vaak ver-\nscheidene bekkenstructuren betreft en chirurgisch in-\ngrijpen risico’ s met zich meebrengt, is een multidisci-\nplinaire aanpak met betrokkenheid van gynaecoloog,\nuroloog en zo nodig een darmchirurg essentieel. Deze\nsamenwerking bevordert een zorgvuldigere preopera-\ntieve planning en ondersteunt het maken van wel-\noverwogen keuzen ten aanzien van de chirurgische\nbehandeling van diepe endometriose.\nHet doel van dit onderzoek was het beschrijven van\nde prevalentie, klinische presentatie, beeldvorming,\nchirurgische behandeling en postoperatieve compli-\ncaties van UGE binnen een gespecialiseerd Neder-\nlands endometriosecentrum. Daarnaast werd de over-\neenkomst tussen preoperatieve MRI-bevindingen vol-\ngens de #Enzian-classiﬁcatie en intraoperatieve be-\nvindingen geëvalueerd. Gezien het beschrijvende ka-\nrakter van dit onderzoek werd geen hypothese ge-\ntoetst, maar beoogt dit onderzoek inzicht te geven in\nde Nederlandse praktijkvoering en de klinische ken-\nmerken van deze patiëntengroep.\nMethode\nPatiënten\nIn totaal werden 1.568 patiënten die tussen januari\n2018 en april 2024 in het endometriosecentrum een\noperatie ondergingen voor diepe endometriose geïn-\ncludeerd in dit retrospectieve cohortonderzoek. Van\nhen kregen er 507 uitsluitend een profylactische peri-\noperatieve ureterkatheter of JJ-katheter ter identiﬁca-\ntie van de ureters, zonder therapeutische urologische\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\ninterventie. Deze patiënten werden geëxcludeerd.\nWanneer tevens een therapeutische urologische in-\ngreep werd verricht, werden zij wel geïncludeerd.\nUiteindelijk werden 80 patiënten met diepe endo-\nmetriose en betrokkenheid van de blaas en/of ureter\ngeïncludeerd, die een chirurgische behandeling we-\ngens UGE ondergingen.\nDe indicatie voor chirurgie werd bepaald op basis\nvan de klachten, beeldvormi ng (MRI-scan en transva-\nginale echo), uitgebreidheid van de laesies en risico\nop orgaanschade, zoals ureterobstructie of hydrone-\nfrose. Bij 42 patiënten speelden urologische klachten\nmede een rol; bij 38 patiënten waren andere endo-\nmetriosegerelateerde klachten leidend. Ook asymp-\ntomatische urologische laesies konden onderdeel zijn\nvan de chirurgische behandeling wanneer radicale\nresectie wenselijk werd geacht of bij een risico op toe-\nkomstige klachten. De preoperatieve evaluatie werd\nverricht door een multidisci plinair team, dat bestond\nuit een gynaecoloog, uroloog, chirurg en radioloog,\nen omvatte een uitgebreide anamnese, lichamelijk\nonderzoek, een urinekweek, nierfunctietests en een\nMRI-bekken. Betrokkenheid van de uroloog werd niet\nuitsluitend bepaald door de aanwezigheid van urolo-\ngische klachten, maar ook door preoperatieve beeld-\nvorming en de verwachte anatomische uitgebreidheid\nvan de ziekte. Urologische consultatie vond plaats bij\nverdenking op blaas- of ureterbetrokkenheid, hydro-\nnefrose, afwijkingen nabij het vesico-ureterale tra-\nject of wanneer reconstructieve urologische chirurgie\nmogelijk noodzakelijk werd geacht. Hierdoor kon\nurologische expertise waar mogelijk preoperatief wor-\nden ingezet. MRI-scans werden beoordeeld door een\nradioloog. Sinds 2020 zijn deze systematisch geclas-\nsiﬁceerd volgens de #Enzian-classiﬁcatie. De analyse\nvan de overeenkomst tussen MRI- en intraoperatieve\nbevindingen werd beperkt tot patiënten bij wie de\n#Enzian-classiﬁcatie systematisch was geregistreerd\n(2020–2024). Ook de intraoperatieve bevindingen\nwerden door de opererende gynaecoloog systema-\ntisch vastgelegd volgens de #Enzian-classiﬁcatie. De\nvergelijking met MRI-scans vond plaats op basis van\nlokalisatie en betrokken compartimenten. Dysurie\nwerd gedeﬁnieerd als pijnlijke of branderige mictie.\nRecidiverende urineweginfecties werden gedeﬁnieerd\nals ≥2 infecties binnen 6 maanden of ≥3 infecties\nbinnen 1 jaar, bevestigd met een urinekweek.\nDe gegevens werden verkregen via een zieken-\nhuisbrede datadienst die patiëntgegevens codeert en\nstructureel verzamelt voor analyse van klinische zorg\nper afdeling. Het onderzoek was niet WMO-plichtig\nen maakte uitsluitend gebruik van geanonimiseerde\ndata. Lokale uitvoerbaarheid en uitvoering van het\nonderzoek werden goedgekeurd door de Raad van\nBestuur van het Haaglanden Medisch Centrum.\nOperaties\nAlle 80 geïncludeerde patiënten hadden diepe en-\ndometriose met betrokkenheid van de blaas en/of\nureters. Bij al deze patiënten werd een laparoscopi-\nsche radicale resectie van de endometriosehaarden\nverricht. Afhankelijk van de uitgebreidheid en loka-\nlisatie werd gekozen voor blaasnodusexcisie, partiële\nblaasresectie, ureterolyse, ureter-re-implantatie of\nnefrectomie. Bij uitgebreide endometriosechirurgie\nwordt de operatieve strategie vooraf afgestemd, inclu-\nsief de volgorde van de ingrepen, om naad-op-naad-\nsituaties en daarmee ﬁstelvorming te voorkomen.\nPostoperatief kregen alle patiënten een transurethrale\nverblijfskatheter. Bij ureteroperaties werd aanvullend\neen JJ-katheter geplaatst, voor minimaal 4 weken. De\nfollow-up was afhankelijk van het type ingreep. Bij\nureterbetrokkenheid vond doorgaans controle plaats\nna 3 weken en 3 maanden na JJ-verwijdering. Bij\nblaasnodusresecties werden katheterduur en even-\ntuele cystograﬁsche controle individueel bepaald.\nPostoperatieve complicaties werden retrospectief ge-\nclassiﬁceerd volgens de Clavien-Dindo-classiﬁcatie.\nResultaten\nVan de 1.568 patiënten die een chirurgische ingreep\nondergingen wegens diepe endometriose werden\n80 patiënten geopereerd vanwege UGE. Hiermee be-\ndroeg de prevalentie in dit cohort 5,1 % ( n = 80/1568).\nDe gemiddelde leeftijd van deze groep was 35,6 jaar\n(spreiding 26–47) en de gemiddelde BMI 24,0. Van de\n80 patiënten met UGE hadden er 34 blaasendometri-\nose, 32 ureterendometriose en 14 een gecombineerde\nbetrokkenheid van blaas en ureter. Inﬁltraties naar\nandere orgaansystemen werden ook geanalyseerd\n(tab. 1). Aanvullende gegevens over lokalisatie en\noperatieve kenmerken zijn opgenomen in appendix 1\nen appendix 2 in de digitaal aanvullende content.\nPreoperatief hadden 42 patiënten urologische\nsymptomen, terwijl de overige 38 patiënten een ope-\nratie-indicatie hadden op basis van andere endo-\nmetriosegerelateerde klachten, zonder voorafgaande\nurologische symptomen. Dysurie werd het meest fre-\nquent gerapporteerd ( n = 29), gevolgd door urgency\n(n =3 ) , f r e q u e n c y (n = 3), recidiverende urinewegin-\nfecties ( n = 3), urine-incontinentie ( n =2 ) , ﬂ a n k p i j n\n(n =1 ) e n h e m a t u r i e (n = 1). Patiënten met blaas-\nbetrokkenheid vertoonden signiﬁcant vaker dysurie\ndan patiënten met uitsluitend ureterbetrokkenheid.\nDaarnaast werd hydronefrose frequent gezien bij ure-\nterendometriose en correleerde deze sterk met laesies\nter hoogte van de sacro-uteriene ligamenten, zoals\nweergegeven in tab. 2.\nOp de MRI werden in totaal 118 inﬁltraties vastge-\nsteld, waarbij verscheidene laesies per patiënt werden\nvastgesteld. De meest voorkomende locaties, buiten\nde blaas en ureters, waren het sacro-uteriene ligament\n(n = 43), het rectosigmoïd ( n = 25), het rectum ( n = 19),\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\nTa b e l 1 Patiëntkenmerken\nmediaan ± sd n %\noperaties UGE 80\nleeftijd (j) 35,6 ± 6,1\nBMI (kg/m2) 24,0 ± 4,5\nblaasbetrokkenheid 34 42,5\nureterbetrokkenheid: 32 40,0\n– links 20 25,0\n–r e c h t s 8 10,0\n– bilateraal 4 5,0\nBlaas- en ureterbetrokkenheid 14 17,5\ninﬁltratie naar andere anatomi-\nsche* locaties:\n118\n–S U L 43 36,4\n–r e c t u m 19 16,1\n– rectovaginaal 9 7,6\n– rectosigmoïd 25 21,1\n–u t e r u s 16 13,6\n– umbilicus 1 0,8\n– longen 1 0,8\n– diafragma 2 1,7\n– omentum 2 1,7\nurologische symptomen:* 42\n–u r g e 3 7,1\n– frequency 3 7,1\n–d y s u r i e 29 69,0\n– recidiverende UWI 3 7,1\n– ﬂankpijn 1 2,4\n– urine-incontinentie 2 4,8\n– hematurie 1 2,4\nhydronefrose 23\nUGE urogenitale endometriose, SUL sacro-uteriene ligament, UWI urineweg-\ninfectie\n* Verscheidene inﬁltraties naar locaties en symptomen mogelijk voor 1 pa-\ntiënt\nde uterus ( n = 16) en het rectovaginale compartiment\n(n = 9). Minder voorkomende foci van endometriose\nwerden aangetroffen in het diafragma, het omentum,\nde longen en de navel. De analyse van de overeen-\nk o m s tt u s s e nd eM R I - s c a ne ni n t r a o p e r a t i e v eb e v i n -\ndingen werd uitgevoerd bij 56 patiënten (70 %), bij wie\nde #Enzian-classiﬁcatie vanaf 2020 systematisch was\nTa b e l 2 Preoperatieve symptomen\ntotaal blaas\n(n = 34)\nureter\n(n = 32)\nbeide\n(n = 14)\np-waarde\nurge 3 2 1 0\nfrequency 3 2 0 1\ndysurie 29 20 4 5 0,001\nrecidiverende UWI 3 2 0 1\nﬂankpijn 1 0 0 1\nurine-incontinentie 2 0 2 0\nhematurie 1 1 0 0\nhydronefrose 23 0 23 0 0,001\nUWI urineweginfectie\ngeregistreerd. Bij 46 van deze 56 patiënten (82 %) ble-\nken de preoperatieve MRI-bevindingen accuraat ten\nopzichte van de intraoperatieve bevindingen. Bij de\noverige 10 patiënten waren de laesies wel in het radio-\nlogieverslag beschreven, maar niet volgens #Enzian\ngeregistreerd.\nWat betreft de chirurgische behandeling werden bij\npatiënten met blaasbetrokkenheid in totaal 47 blaas-\nnodusexcisies verricht. Ureterolyse werd uitgevoerd\nbij 27 patiënten, terwijl 9 patiënten een distale ure-\nterresectie met ureter-re-implantatie ondergingen.\nBij twee patiënten werd nefrectomie verricht wegens\neen afunctionele nier, vastgesteld met renograﬁe of\nDMSA-scan (tab. 3).\nTijdens de follow-up werden bij 26 patiënten com-\nplicaties geregistreerd. Het merendeel betrof Clavien-\nDindo-graad I–II-complicaties. Graad III complicaties\nbetroffen blaaslekkage ( n =3 ) e n u r e t e r l e t s e l (n =5 ) ,\nwaarvoor herinterventie noodzakelijk was. Er werden\ngeen graad IV–V-complicaties gezien. De meest voor-\nkomende complicaties waren toegenomen urgency\n(n = 6) direct postoperatief, vooral bij patiënten met\nblaasendometriose, en recidiverende urineweginfec-\nties ( n = 5). De urgencyklachten waren meestal mild\nen van voorbijgaande aard; slechts 2 patiënten had-\nden aanvullende behandeling nodig, van wie 1 met\nmedicatie en 1 met PTNS. Daarnaast werd bij 3 pa-\ntiënten urineretentie gezien. 1 patiënte startte met\nclean intermittent catheterisation (CIC); de overige\npatiënten hadden geen klinisch relevante klachten.\nErnstige complicaties traden uitsluitend op bij pa-\ntiënten met uitgebreide gecombineerde resecties en\nhingen samen met langere operatieduur en opname-\nduur (tab. 4 en 5).\nDiscussie\nIn dit retrospectieve cohortonderzoek werd een pre-\nvalentie van 5,1 % gevonden voor urogenitale endo-\nmetriose (UGE) binnen een cohort van geopereerde\npatiënten met diepe endometriose (DE). Dysurie\nbleek het meest voorkomende urologische symptoom\nbij blaasbetrokkenheid, terwijl ureterendometriose\nfrequent asymptomatisch was en vaak pas werd vast-\ngesteld bij aanwezigheid van hydronefrose. Daar-\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\nTa b e l 3 Uitgevoerde urologische operaties\ntotaal blaas\n(n = 34)\nureter\n(n = 32)\nbeide\n(n = 14)\np-waarde\nureterolyse 27 – 17 10\nureter-re-implantatie 18 – 14 4 0,001\nblaasnodusresectie 42 39 – 13\npartiële blaasresectie 5 4 – 1 0,001\nnefrectomie 2 1 1 –\noperatietijd gemiddeld (u) 04:03 03:26 03:50 04:05\nopnametijd (d) 3 dagen 3 dagen 3 dagen 4 dagen\nTa b e l 4 Postoperatieve complicaties\ntotaal blaas\n(n = 34)\nureter\n(n = 32)\nbeide\n(n = 14)\ncomplicaties: 25 11 9 5\n– postoperatief ureterletsel 5 1 2 2\n– postoperatieve blaaslek-\nkage\n2 2 0 0\n–u r g e 6 2 1 3\n– frequency 2 2 0 0\n– hematurie 2 1 1 0\n–U W I 5 3 2 0\n– urineretentie 3 0 3 0\nTa b e l 5 Clavien-Dindo-classificatie\ngraad I graad II graad III graad IV–V\ncomplicaties:\n– postoperatief ureterletsel 5\n– postoperatieve blaaslek-\nkage\n2\n–u r g e 6\n– frequency 2\n– hematurie 2\n–U W I 5\n– urineretentie 3\nClavien–Dindo-classiﬁcatie: indeling van postoperatieve complicaties op\nbasis van ernst en benodigde behandeling\nGraad I: afwijkend postoperatief beloop zonder noodzaak tot behandeling of\ninterventie\nGraad II: complicaties waarvoor behandeling noodzakelijk is\nGraad III: complicaties waarvoor een chirurgische, endoscopische of radiolo-\ngische interventie noodzakelijk is\nGraad IV: levensbedreigende complicaties met noodzaak tot IC-opname\nGraad V: overlijden\nnaast werd een goede overeenkomst gevonden tussen\npreoperatieve MRI-bevindingen volgens de #Enzian-\nclassiﬁcatie en intraoperatieve waarnemingen. Ern-\nstige complicaties waren zeldzaam en traden voorna-\nmelijk op bij uitgebreide gecombineerde resecties.\nVergelijking met eerdere onderzoeken\nOnze bevindingen sluiten aan bij die van eerdere pu-\nblicaties waarin blaasendometriose vooral werd geas-\nsocieerd met irritatieve mictieklachten zoals dysurie,\nhematurie en recidiverende ur ineweginfecties, terwijl\nureterendometriose vaak asymptomatisch verloopt en\nin verband wordt gebracht met hydronefrose en ver-\nlies van nierfunctie [ 11, 12]. Dat ureterbetrokkenheid\nin ons cohort leidde tot 2 afunctionele nieren onder-\nstreept het klinische belang van tijdige diagnostiek en\nadequate nierfunctiebewaking. Deze bevinding be-\nvestigt dat ureterendometriose, ondanks een relatief\nlage prevalentie, klinisch relevante consequenties kan\nhebben.\nIn lijn met eerdere literatuur laat ons onderzoek\nzien dat MRI een belangrijke rol speelt in de preope-\nratieve evaluatie van UGE [ 13]. De overeenkomst\nvan 82 % tussen MRI- en intraoperatieve bevindingen\nwijst op een goede, maar niet volledige, voorspel-\nlende waarde van de #Enzian-classiﬁcatie. In 18 %\nvan de gevallen was er een discrepantie tussen ra-\ndiologische en operatieve bevindingen. Op basis van\nde beschikbare retrospectieve gegevens kon echter\nniet systematisch worden vastgesteld of MRI de uit-\ngebreidheid van de afwijkingen voornamelijk over-\ndan wel onderschatte. Deze bevindingen suggereren\ndat de MRI-scan een essentieel hulpmiddel is voor de\npreoperatieve beoordeling, maar dat intraoperatieve\nevaluatie noodzakelijk blijft voor deﬁnitieve vaststel-\nling van de uitgebreidheid en lokalisatie van de ziekte,\nwat weer consequenties heeft voor de preoperatieve\ncounseling van de patiënten.\nComplicaties en operatieve complexiteit\nErnstige complicaties, waaronder ureterletsel en\nblaaslekkage, traden uitsluitend op bij patiënten met\nuitgebreide diepe endometriose bij wie multipele co-\nresecties noodzakelijk waren, en gingen gepaard met\neen langere operatieduur en opnameduur. Zo trad bij\n3 patiënten na blaasnodusresectie blaaslekkage op.\nDit werd vastgesteld op basis van verhoogde drain-\nproductie of controlecystograﬁe en behandeld met\nsecundaire laparoscopische sluiting ( n =2 ) o f c o n s e r -\nvatief met verlengde katheterdrainage ( n =1 ) , t e l k e n s\nmet volledig herstel. Bij 3 patiënten trad ureterletsel\nop, meestal niet ten tijde van het urologische deel\nvan de totale ingreep. 1 letsel werd peroperatief her-\nkend en primair hersteld, maar leidde later alsnog tot\nstenose waarvoor ureter-re-implantatie noodzakelijk\nwas. 1 letsel werd postoperatief ontdekt in de context\nvan complexe bekkensepsis en persisterende uri-\nnelekkage, waarna uiteindeli jk ureter-re-implantatie\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\nvolgde. Bij 1 patiënte werd op de eerste postoperatieve\ndag met CT een ureterletsel vastgesteld, waarna direct\nureter-re-implantatie werd verricht. Het merendeel\nvan de postoperatieve complicaties was mild (Cla-\nvien-Dindo-graad I–II), terwijl ernstige complicaties\nzeldzaam waren. Dit is in lijn met eerdere onder-\nzoeken waarin complicatiepercentages na chirurgie\nvoor urogenitale endometriose over het algemeen\nlaag tot matig zijn, maar variëren afhankelijk van de\npatiëntselectie, de uitgebreidheid van de ziekte en het\ntype ingreep. Zo werd in een cohort van 70 patiënten\neen ﬁstelpercentage van 5,7 % en een heroperatieper-\ncentage van 7,1 % binnen 6 maanden gerapporteerd.\nVergelijking met de literatuur blijft echter lastig door\nheterogeniteit in populati es en deﬁnities van compli-\ncaties [ 12, 14, 15]. Door het retrospectieve karakter\nvan ons onderzoek konden geen vergelijkingen wor-\nden gemaakt tussen verschillende organisatorische of\nchirurgische benaderingen [ 16–18]. Hoewel de meer-\nwaarde hiervan niet speciﬁek is onderzocht, kan een\nmultidisciplinaire aanpak bijdragen aan zorgvuldige\nplanning en behandeling v an complexe endometri-\nose.\nKlinische implicaties\nDe bevinding dat ureterendometriose frequent asymp-\ntomatisch verloopt, onderstreept het belang van sys-\ntematische preoperatieve beeldvorming en nierfunc-\ntiebepaling bij patiënten met diepe endometriose.\nVroege detectie van hydrone frose kan irreversibele\nnierschade mogelijk voorkomen. Het feit dat een\nsubstantieel deel van de patiënten geen urologische\nklachten had, onderstreept dat symptoomgestuurde\nselectie alleen onvoldoende kan zijn om urogenitale\nbetrokkenheid tijdig te herkennen. Preoperatieve\nbeeldvorming en anatomische kenmerken spelen\ndaarom een belangrijke rol bij het identiﬁceren van\npatiënten bij wie vroege urologische betrokkenheid\nwenselijk is. Daarnaast kan op basis van preoperatieve\nMRI-bevindingen een gerichte operatieve strategie\nworden opgesteld. In ons centrum vindt preoperatief\nmultidisciplinair overleg plaats, waarbij gynaecoloog,\nuroloog, chirurg en radioloog gezamenlijk het ope-\nratieve beleid bepalen. Hoewel dit onderzoek de\nmeerwaarde van deze werkwijze niet speciﬁek heeft\nonderzocht en geen vergelijking met alternatieve be-\nhandelmodellen toelaat, faciliteert deze aanpak een\ngestructureerde voorbereiding van complexe ingrepen\nen afstemming van gecombineerde resecties.\nSterke punten en beperkingen\nEen belangrijk sterk punt van dit onderzoek is de rela-\ntief grote patiëntengroep met urogenitale endometri-\nose binnen 1 gespecialiseerd Nederlands centrum. De\nuniforme laparoscopische b enadering en de systema-\ntische toepassing van MRI in de preoperatieve evalua-\ntie dragen bij aan de consiste ntie en interne validiteit\nvan de bevindingen. Daarnaast is dit een van de eerste\nonderzoeken die speciﬁek de Nederlandse praktijk be-\nschrijft van de chirurgische behandeling van urogeni-\ntale endometriose, waarin la paroscopische chirurgie\nde standaardbenadering vormt.\nDit onderzoek kent enkele beperkingen. T en eerste\nwordt de #Enzian-classiﬁcatie pas sinds 2020 syste-\nmatisch toegepast, waardoor de correlatie tussen ra-\ndiologische en intraoperatieve bevindingen slechts in\neen subgroep kon worden geanalyseerd. Retrospec-\ntieve herclassiﬁcatie van eerdere MRI-scans viel bui-\nt e nd eo p z e tv a nd i to n d e r z o e ke nv o l l e d i g eg e s t a n -\ndaardiseerde beeldvorming was niet voor alle patiën-\nten beschikbaar. Dit beïnvloedt de klinische uitkom-\nsten niet, maar beperkt de generaliseerbaarheid van\nde bevindingen over de diagnostische waarde van MRI\nover de hele onderzoeksperiode. T en tweede betreft\nhet een retrospectieve analyse waarin uitsluitend pa-\ntiënten met een operatieve indicatie zijn geïncludeerd,\nwat kan leiden tot selectieb ias richting ernstigere of\nsymptomatische ziekte. Daarnaast werden patiënten\ngeëxcludeerd bij wie uitsluitend profylactisch een ure-\nterkatheter werd geplaatst ter intraoperatieve identi-\nﬁcatie van de ureters, omdat dit niet als therapeuti-\nsche urologische interventie werd beschouwd en de\nkatheter meestal tijdens dezelfde procedure werd ver-\nwijderd. Hierdoor kunnen milde kathetergerelateerde\ncomplicaties, zoals hematurie of urineweginfectie, in\ndit onderzoek zijn onderschat. Patiënten bij wie aan-\nvullend een therapeutische ingreep, zoals ureterolyse,\nwerd verricht, werden wel geïncludeerd. De resulta-\nten zijn daarom vooral representatief voor een chi-\nrurgisch behandelde populatie binnen een gespeciali-\nseerd centrum. T ot slot laat het retrospectieve karakter\ngeen vergelijking toe tussen verschillende behandel-\nstrategieën of organisatorische modellen, zodat geen\ncausale conclusies kunnen worden getrokken over de\ninvloed daarvan op de klinische uitkomsten.\nConclusie\nUGE is een zeldzame maar klinisch relevante manifes-\ntatie van diepe endometriose. Dysurie komt frequent\nvoor bij blaasbetrokkenheid, terwijl ureterendometri-\nose vaak asymptomatisch verloopt en gepaard kan\ngaan met hydronefrose en een risico op nierfunctie-\nverlies. MRI volgens de #Enzian-classiﬁcatie blijkt een\nbruikbaar instrument voor de preoperatieve beoorde-\nling, met een goede overeenkomst met intraoperatieve\nbevindingen. Chirurgische behandeling van UGE bin-\nnen een gespecialiseerd centrum gaat gepaard met\neen acceptabel complicatieproﬁel. Verdere onderzoe-\nken zijn gewenst om de diagnostische strategie en be-\nhandeluitkomsten prospectief te evalueren.\nData availability All data supporting the ﬁndings of this work\nare included in the article.\nOpen Access This article is licensed under a Creative Com-\nmons Attribution 4.0 International License, which permits\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .\n\nArtikel\nuse, sharing, adaptation, distribution and reproduction in\nany medium or format, as long as you give appropriate credit\nto the original author(s) and the source, provide a link to\nthe Creative Commons licence, and indicate if changes were\nmade. The images or other third party material in this article\nare included in the article’ s Creative Commons licence, unless\nindicated otherwise in a credit line to the material. If material\nis not included in the article’ s Creative Commons licence and\nyour intended use is not permitted by statutory regulation or\nexceeds the permitted use, you will need to obtain permis-\nsion directly from the copyright holder. T o view a copy of this\nlicence, visit http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/.\nLiteratuur\n1. Horne AW , Missmer SA. Pathophysiology, diagnosis, and\nmanagement of endometriosis. BMJ. 2022;379:e070750.\n2 . T e n n f j o r dM K ,G a b r i e l s e nR ,T e l l u mT .E f f e c to fp h y s i c a la c -\ntivity and exercise on endometriosis-associated symptoms:\na systematic review . BMC Womens Health. 2021;21(1)355.\n3 . L u k a cS ,S c h m i dM ,P ﬁ s t e rK ,e ta l . E x t r a g e n i t a le n d o -\nmetriosis in the differential diagnosis of non-gynecological\ndiseases. Dtsch Arztebl Int. 2022;119(20):361–7.\n4. Gabriel I, Vitonis AF , Missmer SA, et al. Association between\nendometriosis and lower urinary tract symptoms. Fertil\nSteril. 2022;117(4):822–30.\n5. Leonardi M, Espada M, Kho RM, et al. Endometriosis and\nthe urinary tract: from diagnosis to surgical treatment.\nDiagnostics (Basel). 2020;10(10)771.\n6. Chapron C, Chiodo I, Leconte M, et al. Severe ureteral en-\ndometriosis: the intrinsic type is not so rare after complete\nsurgical exeresis of deep endometriotic lesions. Fertil Steril.\n2010;93(7):2115–20.\n7. Soriano D, Schonman R, Nadu A, et al. Multidisciplinary\nteam approach to management of severe endometriosis\naffecting the ureter: long-term outcome data and treatment\nalgorithm. J Minim Invasive Gynecol. 2011;18(4):483–8.\n8. Comiter CV . Endometriosis of the urinary tract. Urol Clin\nNorth Am. 2002;29(3):625–35.\n9. Pérez-UtrillaPérezM, AguileraBazán A, AlonsoDorrego JM,\net al. Urinary tract endometriosis: clinical, diagnostic, and\ntherapeutic aspects. Urology . 2009;73(1):47–51.\n10. International Society for Gynecologic Endoscopy . En-\nzian classiﬁcation – a new description of endometri-\nosis for invasive and noninvasive diagnosis. 2022.\nhttps://www.isge.org/2022/04/enzian-classiﬁcation-a-\nnew-description-of-endometriosis-for-invasive-and-\nnoninvasive-diagnosis/. Geraadpleegd op: 15 apr 2025.\n1 1 .G a b r i e lB ,N a s s i fJ ,T r o m p o u k i sP ,e ta l . P r e v a l e n c ea n d\nmanagement of urinary tract endometriosis: a clinical case\nseries. Urology . 2011;78(6):1269–74.\n12. T opda˘g ıE P ,Y a p ç aÖ E ,A y n a o˘glu Yıldız G, et al. Mana-\ngement of patients with urinary tract endometriosis by\ngynecologists. J Turk Ger Gynecol Assoc. 2021;22(2):112–9.\n13. Maccagnano C, Pellucchi F , Rocchini L, et al. Diagnosis and\ntreatment of bladder endometriosis: state of the art. Urol\nInt. 2012;89(3):249–58.\n14. SchonmanR,DotanZ,WeintraubAY,etal. Deependometri-\nosis inﬂicting the bladder: long-term outcomes of surgical\nmanagement. Arch Gynecol Obstet. 2013;288(6):1323–8.\n15. Berlanda N, Vercellini P , Carmignani L, et al. Ureteral\nand vesical endometriosis. T wo different clinical entities\nsharing the same pathogenesis. Obstet Gynecol Surv.\n2009;64(12):830–42.\n16. Freire MJ, Dinis PJ, Medeiros R, et al. Deep inﬁltrating\nendometriosis – urinary tract involvement and predictive\nfactors for major surgery . Urology . 2017;108:65–70.\n17. Rocha MA, Mendes G, Castro LF , et al. Outcomes of urinary\ntract endometriosis – laparoscopic treatment: a 10-year\nretrospective study . J Clin Med. 2023;12(22)6996.\n18. Darwish B, Stochino-Loi E, Pasquier G, et al. Surgical\noutcomes of urinary tract deep inﬁltrating endometriosis.\nJ Minim Invasive Gynecol. 2017;24(6):998–1006.\nHanzhe Dong, anios urologie\nEefje Oude Lohuis, gynaecoloog\nJohanna M.A de Bruin, anios gynaecologie\nBob Theodoor Merks, uroloog\nKlinische kenmerken en chirurgische behandeling van urogenitale endometriose: een retrospectief. . .","source_license":"CC0","license_restricted":false}